Rivier

Blue

Toeval

In mijn werk laat ik mij graag aansturen door de kracht van mijn onderbewustzijn; de gevoelige laag die dag en nacht voor mij registreert, ontvangt, dromen produceert, wonderlijke verbindingen schept, gedaanten transformeert, zonder behept te zijn met “ismen”.

In dat gebied smelt het masker van de waan van de dag, wordt iedere vorm tot taal en teken; is zelfs de steen zo luchtig als de wind.

In 1973 ontdekte ik de I Ching. Sinds dien heb ik hem dagelijks gebruikt. Het “toeval” van het werpen van de muntjes, werd zo tot spreekbuis voor de dromen die ik sedert dien ben gaan verzamelen en gedetailleerd opschrijf.

In 1977 liep ik vast met mijn schilderwerk, moest ik noodgedwongen verhuizen, toen viel er een vogelnest op mijn hoofd. Het vogelnest leidde mij dieper naar de wereld van het “georganiseerde toeval”. Definitief besloot ik de energie van mijn handen en armen in dienst te stellen van ‘’het toeval”?!

Ik ben gefascineerd door:
Verlangen ; Beweging ; Kleur ; Licht ; Ritme.

Ik zoek:
Muziek in stilte ; De rivier ; Stromend water

Ik kies:
De sprekende tekens ; De taal van het water ; De kust.

Ik geloof:
Steeds opnieuw

Toeval is:
Mijn metgezel

Vinden:
Om blauw te vinden
Kies ik voor rood
Om licht te vinden
Kies ik voor zwart
Om iets te vinden
Kies ik voor beweging

Verliezen:
Eens verloor ik de weg
Ik ging naar het bos
Een nest van draden viel op mijn hoofd.
Zo vond ik de weg.

Keuzes ten gunste van het toeval

Vanwege haar veel gevoeliger respons op water, schilder ik meestal op papier. Ik laat me volkomen leiden door het moment.
Ritme, spanning, invallen, woorden die in mijn hoofd komen, emoties, associaties, nemen mij mee.

Ik schilder met alle mogelijke middelen, kwasten groot en breed tot zeer fijn, ook sponsen messen, schrapers, twee handen, mijn nagels, 10 vingers, verf soms dik, soms zeer dun, soms als yoghurt of stroop. Vaak moet ik uren wachten, om te zien hoe het resultaat uitvalt.
Het verwarrende is dat pigment in veel water zich lang briljant voordoet, maar toch later dof opdroogt.
Door de langdurige droogtijd, schilder ik vaak aan meerdere werken tegelijkertijd.. Afwisselend staand of liggend op de grond, beantwoord ik hun roepen, of beluister hun vragen.

Ik zie vergeten gevoelens, vergeten reizen ineens versmolten met het nu.
Uit eindelijk ligt de hele vloer en de tafels vol met geschilderde mogelijkheden op tientallen vellen papier.
Ook hier brengt het toeval ineens verassende dingen samen, blijken twee of soms wel drie van hen een verband met elkaar te wensen. Is zo’n verband zo sterk, dan blijven ze verder samen. Scheppen vreugde dan , in hun niet verwachte samenklank.
En dan het namen geven, weten hoe ze heten willen. Dat gebeurt soms spontaan, soms met de hulp van de I Ching. ( Het gelijke trilt met het gelijke mee ). Worden gevonden woorden als magneten:
Zuigen en sturen, drillen de maker; maken zijn geduld grenzeloos.

Beweging

Ik zie beweging als de rode draad in al mijn werk: elke vorm is gevormd door een kracht.
Al sinds oeroude tijden heeft de mens de opmerkelijke overeenkomsten gezien tussen de krachten welke in de natuur werkzaam zijn en de vormenopbouw die zich in onze psyche manifesteren zoals dromen en andere beelden. Kortom, de krachten die de leefwereld van onze ziel vormen.

‘Ik probeer in mijn werk te communiceren met deze oerkrachten; de mythen en de dromen. Het is speciaal in de grensgebieden van de natuur, zoals het uiterwaardelandschap van rivieren, maar ook de indrukwekkende rotskusten van Ierland en Bretagne, of door de zon geteisterde landschappen van Kreta en Noord-Afrika, dat ik mij hiervan bewust werd.
Vaak jaren later nog, is dit aanleiding voor steeds weer nieuwe schilderijen. De zoektocht naar de waarheid die zich nooit gemakkelijk blootgeeft is er een in de grensgebieden tussen dag en nacht, het harde en het zachte, de hitte en kou en vooral tussen beweging en vorm.’

Het verhaal van de eerste jaren

Vanavond wil ik mij graag aan u voorstellen. Ik ben Theo Tomassen en ik ben de schilder van de schilderijen in deze expositie. Graag wil ik, op uitnodiging van de werkgroep van de Ontmoetingskerk, proberen iets uit te leggen of te verhelderen van de achtergronden van deze schilderijen.

Kunstwerken gaan in de wereld op een gegeven moment een soort eigen leven leiden. Er wordt van ze verwacht, dat ze voor zichzelf spreken. Soms hebben ze een titel maar soms heten ze ook gewoon “zonder titel” want voor veel kunstenaars geldt: woorden zijn al snel te veel.

Toch schuilt achter elke kunstvorm, elk oevre, een mens. Een mens met een verhaal. Om die reden is het wellicht ook zinnig iets meer van mij te weten.

Ik werd geboren in het kleine plaatsje Loil bij Didam in de Gelderse Liemers. In mijn jeugd, die begon in het jaar 1948, was Didam in de omstreken vooral bekend vanwege de Diemse hei en de Diemse messestèkers. Vooral op de kermisfeesten werd veel gedronken en altijd werden er wel een paar buurtvetes uitgevochten, dwz iemand neergeslagen of gestoken. Mijn vader was als leraar benoemd aan de nog jonge Didamse middelbare land- en tuinbouwschool.

Ik was het derde kindje. Het jaar voor mijn geboorte was mijn broertje Harrie, door een ernstig gebrek aan zijn hartje, na 5 weken en veel benauwde uren alsnog overleden. Van al mijn broers en zussen hoor ik dat ik mijn moeders poepie was; ik kon, zo werd gezegd, bij haar nooit iets verkeerds doen. Mijn geboorte zal voor mijn ouders zeker een zeer blijde gebeurtenis zijn geweest na het tragische verlies van het tweede kindje.

Hoe vormt zich iemands ziel, iemands innerlijke wereld. Vele theorieën zijn daarover, maar niemand die het weet. Misschien vormen de emoties van de ouders wel een soort psychisch wiegje voor het pasgeboren kind. Mijn ouders waren beiden van Rooms-katholieke gezindte. Allebei kwamen ze uit een vroom nest waarin veel en met overgave werd gebeden. Allebei ook kwamen ze uit vrij grote boerengezinnen in de Achterhoek. Mijn vader was echter een echte heer geworden. Hij was op z’n 16e vanwege zijn grote intelligentie en op voorspraak van de pastoor uit het gezin gehaald om verder te leren. Hij kwam in Nijmegen op kamers te wonen en stond met 19 jaar al als meester voor de klas. Mijn moeder leerde hij kennen in 1941 toen hij 30 was, in het 2e jaar van de oorlog. Hij was toen de nieuwe bovenmeester in het Achterhoekse dorpje Netterden bij Gendringen. Mijn moeder was 11 jaar jonger dan mijn vader. Ze was een gevoelig romantisch en zeer muzikale jonge vrouw, de 2e in een trap die zou uitgroeien tot 11 kinderen. De Bergeländjes, de boerderij waar mijn moeder werd geboren, was een grote boerderij met veel grond. Een gemengd bedrijf met alle denkbare soorten vee en gevogelte, een groot erf met machines en ook nog extra meiden en knechten. Toen ik daar als jong kind kwam, kwam er het water nog uit de pomp en het licht van petroleum en gaslampjes. Dus geen electriciteit. Het was er rijk aan geuren en heel veel spannende voor ons onbekende bezigheden.

Mijn ouders trokken vaak op de fiets met hun jonge gezin naar die grote boerderij in Netterden. Eerst zaten we bij onze ouders achterop maar op een gegeven moment trapten wij mee op kleine doortrapfietsjes; eigenlijk levensgevaarlijke dingen, maar in die tijd een geweldige nieuwe vinding voor kinderen. De hele lagere schooltijd ging ik samen met twee broertjes wel zo’n 3 tot 4 weken in de zomervakantie naar de boerderij. We vonden het daar zo heerlijk dat we later daar ook in de winter nog graag gingen logeren.

In het gezin van mijn moeder speelde elk gezinslid wel twee en soms wel 3 instrumenten. Zo vond je daar: een piano, twee gitaren, een viool, een mandoline, een banjo, een trekharmonica, diverse mondharmonica’s, houten kleppers, een hoorn, een tuba en een trombone en een citer en als er iemand jarig was dan toog dat hele orkest de trap op richting de slaapkamer van de gelukkige. De favoriete muziek die veel gespeeld en gezongen werd, was van romantisch Duitse klassieke componisten, zoals Beethoven, Mozart, Brahms en Schubert. Ook verstond menigeen zeer goed de kunst van het jodelen. Een vergelijking met de familie Trapp zit er dan ook niet zo ver naast. Alle kinderen van het grote gezin zongen ook in Netterden in het kerkkoor. Ik had één oom met een geweldig diepe basstem en een tante die een sopraan had waar je tranen van in de ogen kreeg. Het was in Netterden ’s zondags dan ook een feest om naar de kerk te gaan, en dan aandachtig te luisteren of je in het geweld van de aanzwellende stemmen, nog die ene oom of tante zou kunnen herkennen.

In Didam belandde ik met 4 jaar op de zogeheten “bewaarschool”. In lange dikke zwarte pijen en grote kappen gehulde nonnen runden dit schooltje, pal naast de Lagere Meisjes school.

Ik ben er diep van overtuigd dat van heel veel wat je op latere leeftijd doet en denkt, de wortels al in je kindertijd liggen, en in de eerste weken dat ik op deze kleuterschool zat, gebeurde er iets met mij dat ik mijn hele leven heel helder ben blijven herinneren.

Het overkwam mij zomaar onverwacht: Het was nog voor het luiden van de schoolbel. In keurige strakke rijen stonden we daar opgesteld op het kleine schoolplein voor de kleuters, wachtend tot de non na het beëindigen van het ochtendgebed nog een luide klingel zou geven. Ineens was het of de tijd stil stond: ik hoorde niets meer. Er kwam een zee, een enormde vloed van warmte en licht over mij heen. Ik voelde me opgetild; in een andere werkelijkheid. Zo intens en totaal was dit ervaren. Zonder woorden. Stil en tegelijk boordevol leven.

Het was beslist geen aanval van duizeligheid. Alles straalde ineens en vibreerde. Ik was niet meer Theo maar was opgenomen in iets. Achteraf zou ik het als liefde benoemen. De grote bron van Liefde. Ik heb dit moment als een eigen kostbaar bezit met mij meegenomen. Ik had er geen woorden voor en er was ook niet iemand met wie ik er over wilde praten. Ik wilde ook zeker voorkomen dat anderen er kleinerend commentaar op zouden geven , of om zouden lachen. Want voor iedereen die ik kende, zowel thuis als om mij heen, diende toch alles steeds vooral gewoon te zijn!

Zolang als ik mij maar kan herinneren was ik een kindje dat graag wilde ontsnappen. Ontsnappen aan de opmerkzame blik van mijn ouders, ontsnappen aan grenzen en muren. Vooral ontsnappen aan hun bezorgde gedachten.

Toen ik weer tot bezinning kwam, begon de rij kleuters naar binnen te stromen. Ik vond het bijna ondoenlijk om mij daar in dat klasje, nog in die strakke orde te voegen. Zeker is dat ik diep van binnen wist dat de “gewone wereld” niet langer mijn wereld was. Ik was daar niet langer “geborgen” en wilde dat ook helemaal niet zijn. Als zich een gelegenheid voordeed dan wilde ik ontsnappen. Diverse keren ben ik dan ook, zomaar ineens, doordat iemand het schoolhek liet openstaan, zo snel als mijn beentjes konden, van dat schoolplein weer naar huis gelopen.

Gelukkig voor mij en voor mijn ouders, ontdekten de nonnen al heel snel mijn bijzondere tekentalent: waar de meeste kinderen om mij heen nog krasten en koppoters maakten, tekende ik een gedetailleerde fantasiewereld. Er ontstonden draken en feeën, heilige martelaren, huizen en overstromingen. Als ik er mee bezig was kreeg ik al snel een ring van verbaasde nonnen om mij heen. Zodra dat ik van toen af nog maar de neiging kreeg tot tekenen, werd mij daarvoor de ruimte gegeven. Ik kreeg dan een apart tafeltje met grote doos kleurpotloden voor mijn neus. Ik denk dat het op die manier gelukt is om mij toch de volle twee jaar op de kleuterschool te houden.

Door mijn ouders is tekenen, muziek maken en lezen altijd voor 100% gestimuleerd. Elke tocht met de trein van Didam naar Arnhem bracht nieuwe boeken, ook stripverhalen, en altijd schetsboeken en tekenmateriaal met zich mee.

Het schilderen met olieverf begon toen ik 14 was in het voorjaar van 1962. Een vriendje van de U.L.O school had connecties met de fabriek van Gimborn in Zevenaar en bracht voor mij een mooie houten kist vol met zo’n 30 kleine tubetjes olieverf mee. Dat was een schot in de roos. Mijn moeder toog al snel naar Arnhem en bracht vandaar linnen doekjes en kwasten voor mij mee. Met Sinterklaas kwam er een veldezeltje bij. Alles wat met kunst en mooie afbeeldingen te maken had verzamelde ik. Op de zolderkamer waar ik met twee broertjes sliep, werden de twee schuine wanden helemaal tot aan de nok toe volgeplakt met de kunstreprodukties die ik aantrof in alle jaargangen van de Katholieke Illustratie: schilderijen, beelden, modern, klassiek, in kleur en zwart-wit, alles kriskras door elkaar. Namen als van Gogh, Vermeer, Rembrandt, Titiaan en Goya werden zo, op mijn rug op bed liggend, vertrouwde bekenden.

Tekenen en schilderen liet mij niet meer los. Op de een of andere manier lukten de resultaten steeds beter. De meeste schilderijtjes werden al snel, vaak nog voor ze goed droog waren, voor twee of drie tientjes aan familie en andere liefhebbers om mij heen verkocht. Het betrof dan romantische ruïnes en oude vrouwtjes of indrukwekkend gerimpelde bierdrinkers waarbij ik terloops de stijl van Goya of Rembrandt bestudeerde.

Toen ik 15 was belandde ik in het schilderclubje van de Amsterdamse kunstschilder Tonnie Ros in Didam. Echt les kregen we daar niet, maar je kwam al onder soortgenoten en er ontwikkelde zich een idee van wat nou een kunstenaar was. Ik merkte dat nogal wat kunstenaars stillevens schilderden: vreemde bouwsels van potten en vazen en bloemen, aangevuld met poppen en curioza. Zo’n uitdaging voor het schilderen was mij volkomen vreemd. Ook van de vele zachte en stemmige grijstinten en aardekleuren die gebruikt werden, begreep ik maar weinig. Voor mij waren echte kleur en mijn fantasiewereld de grootste drijfveren geworden.

Toen ik na de HBS in Doetinchem op aandringen van mijn leraar Nederlands besloot de grote stap te zetten en in Arnhem naar de kunstacademie te gaan, toog ik daar opgewonden de trappen op naar de hoogste verdieping van het moderne nieuwe gebouw aan de Rijn. Zeer nieuwsgierig was ik om te zien wat daar gemaakt werd. Jonge schilders zaten en stonden er, verdiept in hun werk achter hun ezels. Het was echter tot mijn grote schrik ook heel veel soorten grijs- en bruintinten die op mij afkwamen. Ik schrok er van. Snel heb ik mij omgedraaid en rechtsomkeer gemaakt, de trappen af weer naar beneden. Daar ging ik snel uit de rij voor de schilderopleiding en besloot in een andere rij te gaan staan: voor de opleiding leraar M.O. tekenen, schilderen en kunstgeschiedenis.

Ik kwam in een bijzonder gezellige, ondernemende en creatieve klas terecht. En onze schilderpresentatie bij het eindexamen in 1971 oogde blits en modern, kleurig en uitdagend. Volgens vele reacties deden we niet onder voor de schilderklas. Ik had mij bekwaamd in een moderne vorm van realisme, het fotorealisme, wat inhield dat ook uitgesproken aspecten van het moderne leven in alle entourage die daar bij kwam in de beelden en voorstellingen werden opgenomen. Ik kreeg een beoordeling van 8 voor mijn schilder- en compositievakken en werd daarbij door de leraar schilderen meteen al uitgenodigd voor een expositie in Den Haag na het eindexamen.

Het is dan de zomer van 1971. Al met al voelde ik mij dus heel gemotiveerd om op die ingeslagen weg door te gaan. Ik schilderde met olieverf op paneel en schilderde met overgave en geduld realistische onderwerpen in oude beproefde schildertechnieken. Het meeste werk dat ik afrondde, werd verkocht via de aankoopregeling van de gemeenten ter ondersteuning van kunstenaars, meer bekend als de BKR-regeling. Elke paar maanden moest er daarvoor weer nieuw werk ter beoordeling aan de commissie worden voorgelegd. Je werkte daardoor onder een zekere druk, maar extra les geven om aan de kost te komen was niet nodig. Dat was erg fijn. Onbewust werd ik voor mijn onderwerpen steeds bewogen door de vraag naar de diepere gronden van het mens zijn. Ik probeerde me in te leven in gezichten en houdingen; in het spanningsveld tussen pose en rollenspel. Op zoek naar de naakte innerlijke ziel maakte ik portretten van ouderen, wachtenden bij een bushalte, straatslapers, arbeiders, drugsgebruikers en bankemployees. Via afrikaanse met klei beschilderde mannen, dansende afrikaanse vrouwen, verschoof mijn vizier geleidelijk in een nieuwe richting. De boeken van de amerikaanse antropoloog Carlos Casteneda en de gesprekken die hij voerde met de Indiaanse medicijnman en sjamaan Don Juan stelden de vraag naar de ware aard van onze ziel. In de verhalen gebeuren vreemde magische dingen. Onbegrijpelijk voor de materieel denkende westerse mens. Met de reeks van gebeurtenissen, rituelen en het gericht gebruiken van hallucinerende middelen, leidde Don Juan Casteneda stapje voor stapje binnen in een totaal nieuwe andere werkelijkheid. In de ogen van de oude indiaan wist Casteneda niets van de ware wereld om hem heen. Om werkelijk te leren zien, diende de ziel te worden geopend. De vele harde denkbeelden waaraan de onderzoeker Casteneda zich had vastgeklampt, stonden onverbiddelijk in de weg. De verhalen in de boeken vormen een prachtig en zeer voorstelbaar beeld van de stevige strijd die onze ziel voert om de oude zekerheden los te laten en de ‘andere werkelijkheid’ binnen te laten.

Ik was twee jaar na het eindexamen van de kunstacademie terecht gekomen op een grote schitterende oude boerderij in Westervoort. Hij lag op een terp met een half gedempte gracht erom heen. De witte T boerderij bleek een zeer oude geschiedenis te hebben die wel 700 jaar terugging. Het was een havesathe, een adelijke stenen boerenhoeve. De gemeente Westervoort en Arnhemse Stichting SLAK die kunstenaars aan werk- en woonmogelijkheden wilden helpen, zorgden samen ervoor dat een groepje van zo’n 5 kunstenaars in deze boerderij hard aan het werk ging om daar hun onderkomen in te richten. Het was de hippietijd en “back to nature” was het motto. We stortten ons totaal in een ongekend nieuw leven. We spitten en groeven, harkten en timmerden. Er ontstond een grote eigen moestuin voor onbespoten groenten. We verdiepten ons in vogelgeluiden en wilde kruiden. Er was een schitterende oude boomgaard. We bakten met grof fysiek geweld ons dagelijkse zuurdesembrood. En tussendoor werd geschilderd, veel geïnspireerd door onze omgeving. We schilderden en tekenden elkaar en bezoekers. Ik las boeken over mystiek: Simone Weil, Per Kirkeby, Aldous Huxley, Hildegard von Bingen, Yogananda. In de grote gezamenlijke woonkeuken kropen we ’s winters lekker bij elkaar en voerden diepgaande gesprekken. Intussen waren er nog meer zielsverwanten bij gekomen. We discussieerden over de Baghavad Gita en Edgar Cayce; vaak zo lang dat we ’s morgens pal naast de boerderij de zon weer als een grote rode bal op zagen gaan.

Zo verscheen ook het oeroude Chinese Orakelboek de I Ching ten tonele. In het westen was dit door Carl Gustav Jung en de onderzoeker Richard Wilhelm flink bekend geworden maar het vergde nogal wat ervaring om het te begrijpen en er goed mee te kunnen werken. Voor ons was het vooral een spannende manier om totaal anders en dan vooral op diepere lagen met elkaar te communiceren: niet meer het debat over elkaars denkbeelden, maar een onderliggend patroon van energieën blootleggen. De I Ching, ook wel het boek der veranderingen geheten, ziet n.l. de wereld en zijn vormenrijkdom als een permanente manifestatie van fluctuerende energiepatronen. De tendens tot verandering ontstaat voortdurend uit de populaire spanning tussen mannelijke yang en vrouwelijke yin energie.

Op de boerderij merkte ik geleidelijk aan steeds meer, dat ik een mens was die leefde in twee werelden: innerlijk kende ik die geheime overweldigende energiewereld die ik al als kleuter had mogen ervaren en die ik lang als een soort geheim met me mee had gedragen. Ik kon daarover dagdromen en er zelfs een soort heimwee naar hebben. Om die reden vond ik op de lagere school b.v. overleden jonge kinderen heel fascinerend. Elke maand viel bij mijn ouders het maandblaadje “De kleine apostel” door de brievenbus. Als regel stond op de achterkant van ieder exemplaar een hele rij aandoenlijke kinderportretjes. Ik kon niet wachten om deze gezichtjes intens te bestuderen, immers ook zij waren nou allemaal kenners van “het geheim”. Maar zij waren nu permanent dáár; niet meer veroordeeld tot het lastige rollenspel dat hier kennelijk steeds de voorrang had. Immers iedereen werd hier steeds beoordeeld op prestaties van netheid, kleding, stiptheid en al dat andere, terwijl de geheime wereld een enorme zee van warmte en liefde was. “Onze vriendjes in de hemel” stond erboven. Bepaald troostrijk. Maar konden deze lieve koppies ook bruggen zijn naar die andere wereld? Ik daagde mezelf uit steeds verder van huis weg te lopen en hoopte intens om ergens een plek te vinden, een plek die ik dan zeker geheim zou houden, die een ingang voor mij zou zijn tot de andere wereld. En natuurlijk vond ik op een dag zo’n plek: een paar honderd meter van ons huis aan de voet van een oude boom.

De periode op boerderij Emmerick duurde zo’n jaar of 5 en kwam abrubt en ontnuchterend tot een einde: de gemeente verkocht de boerderij aan een rijke Rotterdammer, eigenaar van een rederij en de kunstenaars, nou die legden dus geen enkel gewicht in de schaal!

Onze wereld van idealen bezweek onder het gewicht van de zware materie. De kunstenaars, bewoners van boerderij Emmerick, zwierven uit. Op zoek om ergens weer te landen en wortel te schieten. Voor mij was de pijn van de teleurstelling zó groot, vooral ook in mijzelf, dat ik mij zó had laten beetnemen, dat ik met mijn toenmalige vrouw, kunstenares Maria Strik, besloot om een huis te gaan kopen. Dan konden we mogelijk voor nog zo’n pijnlijk desillusie bespaard blijven.

Ook het geloof in wat ik de laatste jaren in het schilderen gedaan had, had ik verloren. Ik schilderde eenvoudig niet meer en maakte alleen nog grote tekeningen. Het begon met de reistekeningen die op reizen naar Ierland, Spanje en Kreta ontstonden. Maria en ik vonden een huis in Arnhem in de Sloetstraat, vlakbij het Sonsbeek Park. Ook door de overstap van een leven op de boerderij naar een leven in de stad, richtte bij mij nog meer de blik naar binnen, naar mijn innerlijke wereld. Gelukkig werden mijn tekeningen bij de BKR enthousiast ontvangen en royaal betaald. Achteraf gezien was boerderij Emmerick een periode voor mij een poging met liefde op aarde te landen en zo ook innerlijk met mijn leven op aarde verzoend te raken.

De kunstcriticus en kunstenaar Maarten Beks schreef in mijn boekje “Birdshill”, dat in 1979 verscheen: Theo Tomassen is een “Zwei seelen Mensch”: terwijl zijn éne ziel vliegoefeningen doet, tracht zijn andere vaste voet te krijgen op het aardoppervlak. Tot voor kort was het Ikatische deel van zijn ziel werkzaam als tekenaar, terwijl de schilderkunst werd beoefend door zijn aardse tweelingbroer.

Die gespletenheid die Maarten Beks hier signaleerde, herkende ik heel erg in mijzelf. Ik had het gevoel dat de echte Theo Tomassen nog geboren moest worden. Zou ik er ooit in slagen van deze twee zielen in mij een eenheid te scheppen? Dat idee spookte steeds door mijn hoofd: Tekenen en schilderen zouden samen één moeten worden; in ieder geval dezelfde energie moeten uitstralen. Moeilijk was daarbij dat ik in de aardse mens toch vooral de geestelijk ingeperkte, uit de staat van genade gevallen mens zag, beroofd van de ware zielewereld.

Maar mijn verlangen naar eenheid was uiteindelijk heel groot en het voerde mij naar een grote hoogte, zowel letterlijk als figuurlijk. Hoe dat ging? Het begon met een hele heldere droom, die ik mij herinner als de dag van gisteren. Ik was zo’n 8 jaar oud. In de droom liep ik ’s nachts op de overloop van mijn ouderlijk huis. Daar opende ik het dubbele raam dat op de straatkant uitkeek, ik klom behoedzaam in de dakgoot, aarzelde een kort moment en dook vervolgens als een geboren vlieger, met gespreide armen het luchtruim in. Steeds korte bewegingen naar de zijkant makend als bij het zwemmen, probeerde ik op en neer te gaan. Het ging eigenlijk heel eenvoudig en grote euforie over mijn nieuw verworven staat maakte zich van mij meester: Ik was los van de aarde! Als een echte vogel. Het dak van het huis aan de overkant van de straat, kwam snel op me af, maar met een boog manoevreerde ik erover heen. Geluksgevoel doorstroomde me. Nergens brandde meer licht, behalve de straatlantaarns. Achter het huis van de overburen was de grote kersenboomgaard van de fam. Evers. Daar landde ik op een tak en at mij vol aan de rijpe kersen. Vanaf die dag was vliegen voor mij een terugkerende nachtelijke bezigheid die veel voldoening bracht. Ik trad op als uitvoerder van het recht, door inbrekers weg te jagen en een andere keer jaagde ik een kussend paardje in het smalle domineestraatje zó de stuipen op het lijf dat ik hikkend van het lachen wakker werd.

Grote triomf beleefde ik al enkele weken daarna toen ik in de droom achterna gezeten werd door een bende ruwe Didamse jongens. Ze zwaaiden met stokken en klompen en waanden zich al zeker van de overwinning. Toen ze op anderhalve meter genaderd waren, maakte ik in snel tempo de vliegbewegingen en koos voor hun verbaasde ogen het luchtruim.

Precies twee dagen vóór deze droom had ik gezien hoe dezelfde groep jongens mijn nieuwbakken roodharige buurjongen Peter Jacobs in een ligusterheg klemgedreven had, waar hij vervolgens door 3 of 4 man met de klompen in elkaar werd geslagen.

Met dat vliegen ontstond nu niet alleen de mogelijkheid tot ontsnapping, maar het was voor mijn beleving ook een soort terugkeer tot de natuurlijke ware staat van de mens. De ruimte, mét de aarde, was zijn ware domein! Weg was ineens de terreur van de horizon, die de aarde zo wreed in twee verschillende delen deelt. Weg ook het pijnlijk nostalgisch verlangen naar de onbereikbare verten. Zomaar ineens was er nog maar één ruimte. Een ongedeelde totale ruimte!

Ik weet nu, dat veel van de lijnen die ik nu in mijn schilderijen gebruik, eigenlijk de sporen zijn van wegen, landerijen en rivieren, zoals ze uit de lucht te zien zijn. Het zijn lijnen die bewegen en draaien, zich voegend in een organische orde. Er zijn vlekken die zich groeperen, samenklonteren, en weer uiteenvallen. Er zijn vlekken die bomen worden en bomen die weer vlekken worden.

Het nachtelijke vliegen haalde voor mij jarenlang de druk en de pijn weg van het moeizame vormings- een aanpassingsproces aan de condities en eisen van deze wereld. Ik kon daardoor in de wereld zijn, maar ik hoefde niet van de wereld te zijn. Toen het schilderen gestopt was, zocht ik onbewust naar een nieuwe oriëntatie op de aarde. Die was er niet meteen. Maar om de eenvoudige reden dat wij in die tijd veel en vaak reisden, liftend kwamen wij toen met weinig geld heel ver, werden de reistekeningen ineens veel belangrijker. Ze behoorden voor mijn gevoel tot geen enkele categorie en hoefden dan ook niet meteen als kunst betiteld te worden. Mijn werk voor de BKR bleef abstract. Tijdens die reizen trok ik vooral naar die gebieden, waar de aarde door de elementen geteisterd was, gebroken geschuurd, gepolijst getekend. Samen met Maria Strik trokken we in een besteleend langs de kusten van Normandië, Bretagne, we wandelden door barre landschappen in Zuid-Frankrijk, Spanje en Griekenland. De eenzaamheid, de ruimte, de kleuren, het licht en de verbijsterende vergezichten, deden de liefde voor de aarde terugkeren. Ook hier was alles ruimte. En ook hier was verzet, weerbarstigheid, lijden; er was vloeien en er was barsten, er was koelte en er was hitte. Zo leerde ik in al die sporen van de aarde herkennen, wat ook wij mensen psychisch in onze ziel ondergaan. Ook wij worden geteisterd, door deze zelfde krachten. We zoeken naar de hemel, maar zoeken ook naar houvast. En soms werken we onszelf muurvast zonder dat we daar erg in hadden, ons overgevend aan al die conservatieve krachten.

Maar de hemel is ruimte, liefde, licht en de hemel zegt ons keer op keer dat we los moeten laten, want wij zijn niet van hier, we hebben alleen hier werk te doen. We kunnen helen, aandacht geven en zo verzoenen en verlossen. Ik wordt bijna een dominee, maar misschien verschilt het werk van de kunstenaar ook niet zoveel van dat van de dominee.

De kunstenaar ziet het als zijn opdracht zijn werk te baseren op de innerlijke waarheid van zijn ziel. Altijd gaat zijn aandacht ergens heen waar anderen mogelijk overheen kijken. Mogelijk iets heel kleins of iets zo maar vlakbij in de straat. Maar hij verruimt onze ideeën en hij verzoent manieren van denken.

In 1980 gingen Maria en ik uit elkaar. Twee jaar later kwamen Koosje en ik bij elkaar. We kregen samen 3 prachtige kinderen. Kortom na dit verhaal over mijn persoon komt nóg een heel verhaal, maar ik heb vooral verteld over datgene dat in mijn jeugd het innerlijke bouwsel van mijn geest is gaan vormen. Het zijn de wortels van de latere boom. Ik ben ervan overtuigd dat niet zozeer kunsthistorische of markteconomische overwegingen een kunstenaar bewegen tot het maken van een bepaald soort werk.

De steun voor kunstenaars, de BKR regeling is in 1984 definitief verdwenen. Om toch in het onderhoud van mezelf en mijn gezin te kunnen voorzien, ben ik ook les gaan geven. Eigenlijk met steeds meer plezier. Al zo’n 30 jaar geef ik teken- en schilderles aan de Nijmeegse Lindenberg.

Mijn kinderen zijn prachtige volwassen mensen geworden.

Ik hoop van harte dat mijn uiteenzetting deze avond u enig inzicht geeft in de mens zoals die gegroeid is achter de kunstenaar Theo Tomassen. Ook nodig ik u uit om samen met mij een wandeling te maken langs de schilderijen. Er zijn verschillende lijstjes met de titels en de prijzen.

Heel hartelijk dank ik u voor de aandacht.